Deel 2: Tools binnen de UvA, makkelijk of verwarrend?

Hans Koekkoek · Geen categorie · Laatst geupdate op 8 november, 2012

In mijn vorige blogpost behandelde ik de overload aan online tools binnen de UvA. Nu geef ik hieraan een vervolg. Blackboard en Dropbox kwamen aan de orde en in deze post is het de beurt aan Google Apps, Facebook en Twitter.

Een stap in de goede richting

Google apps heeft begin dit jaar het systeem voor studentenmail en roosters vervangen. Dit is voor veel studenten een opluchting aangezien de mail van de UvA flink verouderd was. De inbox had een beperkte opslagruimte, waardoor je vaak geen nieuwe mail kon ontvangen. Ook zag de user interface eruit als Outlook 2000, totaal niet herkenbaar dus. Het mailprogramma dat we nu gebruiken lijkt meer op Gmail. Daarmee is het niet alleen een stuk gebruiksvriendelijker door een zeer herkenbare user interface, maar niet na hoeven denken over een te volle inbox werkt rustgevend. Dan het rooster. Dat was onoverzichtelijk en vergde te veel handelingen. Je schooljaar, faculteit, opleiding en ook je klas moest je elke keer weer opnieuw invoeren. Nu is je studentennummer gekoppeld aan het rooster waardoor je alleen de vakken te zien krijgt waarvoor je bent aangemeld. Een stuk overzichtelijker dus.

Docenten zien kansen in Facebook

Dan Facebook, de volgende en waarschijnlijk bekendste tool. Facebook wordt momenteel binnen de UvA gebruikt voor groepsdiscussies, het delen van documenten, informatie uitwisselen etc. Een van de redenen waarom een social community als Facebook een steeds grotere rol speelt, is omdat veel studenten al gebruik maken van Facebook. Docenten begrijpen dat hier makkelijk op in kunnen springen en vinden de drempel voor docenten om een Facebook-groep in te zetten lager. Blijkbaar is er bij zowel docenten en studenten behoefte aan een sociale, laagdrempelige manier van communiceren. De interactiefuncties van Facebook voldoen heel goed aan de manier waarop docenten met studenten willen communiceren.

Twitter #college

De behoefte aan laagdrempelige interactie zie je ook terug bij het gebruik van Twitter, bijvoorbeeld op hoorcolleges. Er zijn docenten op de UvA die hashtags bedenken en de studenten de mogelijkheid geven vragen te stellen via Twitter. Wat doen die docenten hier? Zij maken gebruik van het feit dat iedereen tijdens een college meer dan 50% van de tijd naar z’n mobiel, tablet of laptop zit te staren. De stof van het hoorcollege komt dus maar half binnen. Door nu de aandacht voor het onderwerp te verleggen naar datzelfde device betrekt de docent zijn studenten op actieve en sociale wijze. Het is al gebleken dat de interactie naar aanleiding van het onderwerp makkelijker op gang komt dan wanneer ouderwets de hand in de lucht moet worden gestoken. In vergelijking met Facebook voldoet Twitter aan een directe, snelle en ‘on the spot’ communicatiebehoefte. Na het college sterft de hashtag een stille dood.

Nog veel vragen

Wat je ziet is dat docenten en studenten met het gebruik van Google, Facebook, Twitter, Blackboard en Dropbox naar veel middelen grijpen om met elkaar te communiceren. Hiermee benutten zij verschillende functionaliteiten van de diverse tools: online sharing, interactie, roosters, mail, discussies etc. Als je het zo bekijkt dan lijken al die tools perfect op elkaar aan te sluiten en de verschillende behoeften te vervullen. Maar werkt dit ook zo makkelijk in de praktijk? Zijn de overeenkomsten en de verschillen tussen alle tools duidelijk voor studenten en docenten en leveren de verschillende log ins geen problemen op? Een vraag die bij me opkomt: zou een centraal platform die al deze functies combineert een goed alternatief zijn voor de UvA?

Hoe denken jullie hierover?

Graag hoor ik van jullie wat jullie ervaringen zijn met deze tools. Wat zouden jullie eventueel anders willen zien?

Kritische vragen

NB Interessant gegeven is dat er op UvA site vragen worden gesteld over veiligheid en privacy van Google. In dit opzicht zijn ook bij het gebruik van Amerikaanse bedrijven zoals Facebook en Twitter kritische vragen te stellen. In een volgende blogpost zal ik hier verder op ingaan.